Over

In een subtiel samenspel met de architectuur en de beeldhouwkunst heeft de schilderkunst van oudsher een techniek ontwikkeld om te doen alsof haar oppervlak een driedimensionale ruimte met reële objecten schijnt: de trompe l’oeil. Die optische illusie is, zoals elke illusie, noodzakelijk tijdelijk en traditioneel staat of valt de creatie van een trompe l’oeil dan ook met het resultaat. Zodra het gezichtsbedrog doorzien en de illusie doorprikt is, verschrompelt de functie van de trompe l’oeil immers tot een decoratief ornament dat hooguit nog verwondert
door de virtuositeit van de uitvoering. In de hedendaagse beeldende kunst is een
resultaatsgerichte virtuositeit en het streven naar een steeds ‘exactere’ kopie (of simulatie) van de realiteit echter niet langer het mikpunt, vandaar dat ook de trompe l’oeil zelf in de twintigste eeuw naar de achtergrond verdween. Dit praktijk-gebaseerde OPAK-project ontwikkelt echter de these dat de trompe l’oeil tot een beeldstrategie gemunt kan worden om de toeschouwer, via de illusie van het resultaat, bij het artistieke creatieproces te doen stilstaan, d.i. als onderdeel van een ruimer doctoraat in de kunst dat de trompe l’oeil als bron van kritische reflectie verkent. Op die manier wordt trompe l’oeil in plaats van een kwestie van gezichtsbedrog en effectbejag een zoeklicht in het artistieke proces zelf.
In kunsthistorisch opzicht ent de onderzoeksthese zich op de vroegmoderne traditie van het ‘metabeeld’ en de ontwikkeling van de trompe l’oeil tot beeld-reflexief genre (Stoichita 1996), o.a. bij de zeventiende-eeuwse vanitasschilder Cornelius Gijsbrechts (Achterzijde van een schilderij, 1675). Qua artistiek experiment put het onderzoek energie uit een spanning tussen de trompe l’oeil en de abstracte beeldtaal (o.a. in de lijn van de hedendaagse schilder Kees Goudzwaard). Het buit ook het intrinsiek interdisciplinaire van de trompe l’oeil uit om objectmatige en ruimtelijke uitbreidingen van het schilderkunstige kader te exploreren (in het verlengde van kunstenaars als David Claerbout, Mark Manders, Ann-Veronica Janssens).
Qua methodiek starten we met specialisten in oude technieken en materiaalkunde van opleiding conservatie-restauratie (Universiteit Antwerpen) een cyclisch proces op waarin oude en nieuwe meesters van de trompe l’oeil gekopieerd zullen worden. Via deze illusoire verdubbeling brengen we hun reflectieve potentie in kaart. We maken dit werk publiek via recurrente exposities en een boek met fictieve brieven aan de oorspronkelijke kunstenaars, in een samenwerking tussen doctorandus en promotor. Voor de finale tentoonstelling wordt de methode van de mise-en-scène een bron van reflectief experiment, in een samenwerking tussen doctorandus en experten schilderkunst en architectuur. Op die manier zal het
onderzoek een artistieke bijdrage leveren aan de discussie over de reflectieve functie van fictie (in tijden van fake) en aan de positie van (schilder)kunst binnen de herwaardering van het analoge en het ambachtelijke creatieproces, vooral in antwoord op de realistische illusie van het hoogtechnologische beeld. Het inzicht over de illusoire indruk van het creatieproces in artistiek resultaat biedt een significante meerwaarde in een procesgericht kunstonderwijs Het zal tijdens het onderzoek daarom ook al uiting vinden in een gekoppeld masterseminarie,
een research workshop en een symposium.

Onderzoekseenheid: Image

Looptijd: 2017 - 2022

Onderzoekers

Dr. Tom Van Imschoot

Ritsart Gobyn